Het Gluujende Peerd van Terborg is een oude sage. Er bestaan meerdere varianten van waarvan er een hier is te lezen.

Omstreeks de 2e helft van de 14e eeuw bestond Terborg uit niet meer dan enkele eenvoudige huisjes. Deze huisjes werden vooral bewoond door horigen van Kasteel Wisch. Dit kasteel werd bewoond door Hendrik van Wisch, bezitter van Terborg en van uitgestrekte landerijen. Hendrik van Wisch was een zeer krijgszuchtig heer en een zeer bekwaam ruiter.

Hendrik wist een vurig jong paard te bemachtigen. Het paard was echter nog niet getemd. Ondanks de waarschuwingen wierp hij zich op een morgen op het paard en rende de laan af. Halverwege de laan wist het paard hem af te werpen. Een zoektocht werd gestart en het paard werd herhaaldelijk gezien maar niet gevangen.

Op het nacht liep Berend (een arbeider op kasteel Wisch) in enigszins benevelde toestand via de Paasberg naar huis. Plotseling zag hij boven op de Paasberg het paard. Het dier glansde in het maanlicht en in de vrieslucht was zijn adem zichtbaar. Het paard leek inwendig te gloeien. Plotseling was het paard verdwenen. Bevend rende hij naar de woning van Derk. Het paard moest zijn schuilplaats in de Paasberg hebben.

Ieder jaar in de nacht voor pasen komt het dier uit de berg tevoorschijn en doet een sprong in de richting van de molen die destijds op de Paasberg stond.